Dood of Levend (tweede herziene versie)

Dit verhaal is geschreven voor de eindopdracht van de basisopleiding van de Schrijversacademie. Dit is de versie die ik heb herzien aan de hand van het commentaar van mijn medecursisten.


Levend of dood
Eddie van Dijk

‘Weet je de woorden?’ de doorleefde stem van de Rechter staat in schril contrast tot het jeugdige gezicht van zijn ivoren masker. Aan weerszijde van de man staan twee wachters in het gareel en voor hem een jonge man een wachtersuniform ontdaan van elke indicatie van rang. De vier bevinden zich in de liftzaal die in de onderste punt van de stad uit het basalt is gehouwen, een ruimte waar duizenden in passen. De pilaren rondom de ruimte werpen lange schaduwen in het eerste ochtendlicht. Het gewaad van de rechter wappert in de woestijnwind, warm en droog, die door de zaal vloeit.

Yan knikt, ‘ik weet de woorden.’ Zijn neus, beurs en opgezwollen, geeft zijn stem een nasale klank.

De Rechter trekt een roede, een staaf van een el lang en vervaardigd van het zelfde materiaal als zijn masker, uit zijn gewaad en overhandigt die aan Yan. ‘En je weet wat je te doen staat?’

‘Ja, heer.’ Yan kijkt naar zijn voormalige collega’s, maar zij weigeren zijn bestaan te erkennen. Voor hen bestaat Yan niet, en dat zal zo blijven tot hij zijn eer hersteld heeft. Yan keert zich om en stapt de liftkooi binnen.

‘Levend of dood,’ zegt de Rechter plechtig.

‘Levend of dood,’ herhaalt Yan, met een hapering in zijn stem. Hij wringt zijn handen om de roede, de patronen die in het ivoor zijn gesneden bijten in zijn handpalmen. De kooi komt in beweging met een schrok en het ratelen van kettingen en begint de afdaling naar de woestijn.

 

De voetstappen echoden tegen het grauwe gesteente waaruit de gang naar de executieruimte was gehakt, vergezeld door het rinkelen van ketenen. De gevangene stopte en keek omlaag naar zijn geketende handen. Yan gaf hem een duw in de rug. ‘Doorlopen,’ commandeerde hij en probeerde zijn zenuwen niet door te laten klinken in zijn stem. Het vergezellen van een gevangenen naar de kamer waar zijn ziel uit hem getrokken zou worden was een eer, een kans die hij niet wilde verpesten.

De gevangene begon te snikken en zakte door zijn knieën.

‘Sta op,’ zei Yan geïrriteerd, ‘kom op.’

De man schuifelde op zijn knieën om en greep Yans tuniek met beide handen vast en begon met gebogen hoofd te smeken. ‘Alsjeblieft, dit kan je toch niet maken. Het was zelfverdediging, het was hij of ik. Geloof me alsjeblieft.’

‘De Rechter heeft geoordeeld, daar kan ik verder niks aan doen. Dat weet je zelf net zo goed als ik.’

De man keek naar Yan op. Zijn ogen waren droog en vastberaden. Voordat Yan kon reageren trok de man hem op volle kracht naar beneden en stootte zijn hoofd omhoog. Het kraken van zijn neus en een flits van pijn vulde Yans hoofd. Hij verloor zijn evenwicht en viel grijpend naar zijn neus naar achter. De gevangene krabbelde op en zette het op een lopen.

 

De roede begint te zingen voordat Yan de ruïne kan zien, een klaagzang waarvan de woorden net niet te verstaan zijn. Het bouwsel moet ooit een kleine woning zijn geweest, met muren van op elkaar gestapelde stenen. Het zand heeft het grotendeels opgeslokt. Er is nog een hoek over, een herinnering aan de tijd dat er leven buiten de stad geweest moet zijn. De zon zinkt langzaam onder de horizon en kleurt het zand rood. Een betere plek om te overnachten zal Yan niet vinden en het gezang van de roede geeft hoop dat hij deze nacht geen kou zal gaan lijden. Hij werpt de rugzak tegen de muur en ploft neer in het zand. De Eenzame Stad, een omgekeerde berg, hangt in de lucht boven de woestijn als een donkere wolk. Op de top van de stad zijn bossen, velden en landerijen te zien, een kroon van groen. Vanaf deze afstand lijkt het of de onderste punt van de stad de woestijn aanraakt. Vanochtend, in de liftkooi, had het onmogelijk hoog geleken. Er zijn maar weinigen die de stad van dit perspectief te zien krijgen. Een dubieuze eer.

Yan pakt de roede en onderbreekt de klaagzang met een woord, een vreemd woord dat onnatuurlijk in zijn mond voelt. Hij gebiedt de roede om het ongeziene te laten zien. Mist lekt tussen de stenen vandaan, flarden van de Oude Wereld die zich verzamelen in de afbrokkelende hoek. Daar nemen de mistflarden de vorm van een kind aan dat ineengedoken tegen de muur is aangekropen. Het kijkt op, reagerend op een geluid dat nooit meer gehoord zal worden. Het laatste, angstige moment voor de dood is alles wat over is van het zieltje. Yan spreekt nog een woord tegen de roede waarop  de mist het ivoor ingetrokken wordt.

‘Levend of dood,’ mompelt Yan. Hij steekt de roede in het zand en laat het met een derde woord ontbranden. De roede wordt omvat door vlammen zonder dat het schade lijkt te doen aan het artefact. Yan probeert de slaap te vatten terwijl het zieltje langzaam opbrandt.

 

Yan probeerde zich een weg te banen door de menigte van joelende en juichende burgers die zich rond het schouwspel hebben verzameld. ‘Wachter, opzij!’ Hij proefde hij het bloed dat uit zijn neus stroomde. Hij duwde een toeschouwer opzij en kreeg eindelijk zicht op de gevangene.

De man stond op een balustrade waarvan het basalt door de eeuwen en duizenden handen tot een hoogglans was gepolijst. De gevangene had moeite om zijn evenwicht te bewaren. De man keek naar Yan om, ‘als je mijn ziel wilt, platneus, kom hem dan maar halen!’ De man sprong en Yans maag bevroor.

Hij rende naar de balustrade en leunde zo ver als hij durfde naar voren. Ver beneden hem gleden rotsen en zand voorbij. Hij keek hulpeloos toe hoe zijn gevangene de dood tegemoet viel.

 

Met de klaagzang van de roede die hem de weg wijst vind Yan de gevangene op de tweede dag als de zon vanaf hoog in de lucht op hem neer hamert. Het lichaam ligt gebroken in het zand. Met een woord maakt Yan de ziel zichtbaar. De mist lijkt op te stijgen uit het lijk. Het kolkt totdat de verschijning van de gevangene op zijn eigen lichaam zit, met de armen nonchalant op de knieën. Yan hurkt en kijkt de ziel in de ogen. Wat over is van de gevangene kijkt terug met een zelfingenomen glimlach. De lippen van de verschijning beginnen geluidloos te bewegen.

‘Levend of dood,’ zegt Yan plechtig tegen de dode, ‘zullen wij de Eenzame Stad dienen.’ Hij houdt de roede voor zich, spreekt een woord en laat het de mistfiguur verorberen. Yan steekt de roede onder zijn riem, strekt zich uit, veegt het zweet van zijn voorhoofd en beloont zichzelf met een slok water. Met een zucht begint hij terug te lopen richting de zwevende stad aan de horizon.

Levend of dood (herziene versie)

Dit verhaal is geschreven voor de eindopdracht van de basisopleiding van de Schrijversacademie. Dit is de versie die ik aan mijn medecursisten heb overhandigd voor feedback, aan de hand waarvan ik het verhaal zal moeten herzien.


Levend of dood
Eddie A. van Dijk

‘Weet je de woorden?’ De doorleefde stem van de Rechter stond in schril contrast tot het jeugdige gezicht van zijn ivoren masker. Aan weerszijde van de man stonden twee wachters in het gareel en voor hem een jonge man in simpele reiskleding. De vier bevonden zich in de liftzaal die in de onderste punt van de stad uit het basalt was gehouwen, een ruimte waar duizenden in pasten. De pilaren rondom de ruimte wierpen lange schaduwen in het eerste ochtendlicht. De woestijnwind, warm en droog, deed het gewaad van de Rechter wapperen.

Yan knikte, ‘Ik weet de woorden.’ Zijn neus, beurs en opgezwollen, gaf zijn stem een nasale klank.

De Rechter trok een roede, een el lang en van het zelfde materiaal als zijn masker, uit zijn gewaad en overhandigde die aan Yan. ‘De stad blijft hier voor drie dagen en drie nachten, ben je dan nog niet teruggekeerd…’

‘Dan worden de kosten verhaald op mijn familie.’

‘De kosten van jou, de voortvluchtige en de roede.’

Yan slikte, draaide zich om en stapte de liftkooi binnen.

‘Levend of dood,’ zei de Rechter plechtig.

‘Levend of dood,’ herhaalde Yan, met een hapering in zijn stem.

 De kooi kwam in beweging met een schok en het ratelen van kettingen en begon de afdaling naar de woestijn.

 

Het vonnis van de Rechter galmde door Mikal’s hoofd, een doodsvonnis uitgesproken door het onbeweeglijke ivoren gezicht. Het was niet eerlijk. Onrechtvaardig. Het was zelfverdediging geweest. Maar de Rechter was doof geweest voor zijn smeekbedes. En nu werd hij begeleid naar de ruimte waar zijn leven uit hem onttrokken zou worden. Met de handen geketend voor zich ging hij zijn dood tegemoet.

‘Doorlopen,’ de wachter gaf hem een duw in de rug. Een jonge kerel. Zou het een eer zijn om een terdoodveroordeelde te begeleiden of een taak die ze afschoven op de nieuweling?

Mikal beet op zijn onderlip, balde zijn vuisten en begon te snikken. Hij zakte door zijn knieën.

‘Sta op,’ zei de Wachter geïrriteerd, ‘kom op.’

Mikal draaide zich schuifelend op zijn knieën om en greep de tuniek van de wachter met beide handen vast. ‘Alsjeblieft, dit kan je toch niet maken. Het was zelfverdediging, het was hij of ik. Geloof me alsjeblieft.’

‘De Rechter heeft geoordeeld, daar kan ik verder niks aan doen, dat weet je zelf net zo goed als ik.’

Mikal keek op naar de wachter. Met als zijn kracht trok hij de wachter naar beneden. Op het zelfde moment stootte hij zijn hoofd omhoog. De neus van de wachter kraakte toen zijn voorhoofd contact maakte. De wachter viel naar achter, met beide handen grijpend naar zijn neus. Mikal krabbelde overeind en zette het op een lopen door de grauwe gangen van de stad.

De roede begon te zingen toen de ruïne in zicht kwam, een klaagzang waarvan de woorden net niet te verstaan waren. Het bouwsel moest ooit een kleine woning zijn geweest met muren van op elkaar gestapelde stenen. Het zand had het grotendeels opgeslokt, Er was nog een hoek over, een herinnering aan de tijd dat er mensen buiten de stad hadden kunnen leven. De zon zonk onder de horizon en kleurde het zand rood. Een betere plek om te overnachten zou Yan niet vinden en de klaagzang van de roede gaf hoop dat hij geen kou hoefde te lijden die nacht. Hij wierp zijn rugzak tegen de muur en plofte neer in het zand. De Eenzame Stad, een omgekeerde berg, hing in de lucht boven de woestijn als een donkere wolk. Op de top van de stad waren bossen, velden en landerijen te zien, een kroon van groen. Vanaf deze afstand leek het of de onderste punt van de stad de woestijn aanraakte. Aan het begin van de dag, toen Yan daartussen hing in de liftkooi, had het onmogelijk hoog geleken. Er waren maar weinigen die de stad ooit vanaf dit perspectief zagen. Een dubieuze eer.

Yan pakte de roede en onderbrak de klaagzang met een woord, een vreemd woord die onnatuurlijk in zijn mond voelde. Hij gebood de roede om het ongeziene te laten zien. Mist lekte tussen de stenen vandaan. Flarden van de Oude Wereld die zich verzamelden in de afbrokkelende hoek, waar ze de vorm van een kind aannamen dat ineengedoken tegen te muur was aangekropen. Het keek op, reagerend op een geluid dat nooit meer gehoord zou worden. Het laatste, angstige moment voor de dood was alles wat over was van het zieltje. Yan sprak nog een woord tegen de roede en de mist werd in het ivoor getrokken. ‘Levend of dood,’ mompelde Yan. Hij stak de roede in het zand en deed het met een derde woord ontbranden. De roede werd omvat door vlammen zonder dat het schade leek te doen aan het artefact. Yan probeerde de slaap te vatten terwijl het zieltje langzaam opbrandde.

Het basalt van de balustrade was door de eeuwen heen door ontelbare handen gepolijst. Mikal wankelde op het gladde steen. Voor hem, in de diepte, gleden rotsen en zand langzaam voorbij. Achter hem was er chaos. Wachters maanden gillende en juichende burgers om aan de kant te gaan. Mikal kon nergens naar toe. Bleef hij in de stad dan zouden ze hem vinden en zijn ziel uit zijn nog levende lichaam rukken. Zelfs als hij de woestijn wist te bereiken, wat dan? Buiten de stad wachtte enkel een dode wereld. Als hij dan toch moest sterven, dan op zijn eigen termen. Mikal keek over zijn schouder. De wachter met de gebroken en bloedende neus wist als eerste door de menigte heen te dringen. ‘Als je mijn ziel wilt, kromneus, kom hem dan maar halen!’ riep hij tegen zijn achtervolger en sprong.

Yan, geleid door de klaagzang van de roede, vond Mikals lichaam op de tweede dag terwijl de zon vanuit hoog in lucht op hem neer hamerde. Het lichaam lag gebroken in het zand. Met een woord maakte Yan de ziel zichtbaar. De mist leek op te stijgen uit het lichaam. Het kolkte totdat Mikal’s ziel op zijn eigen lichaam zat, met de armen nonchalant op de knieën rustend en met een zelfingenomen glimlach op zijn gezicht. Yan hurkte en keek de ziel in de ogen. Malik bewoog zijn mond, maar geen geluid bereikte Yan’s oren.

‘Levend of dood,’ zei Yan plechtig tegen de dode, ‘zullen wij de Eenzame Stad dienen.’ Daarna sprak hij tot de roede, die de mistfiguur verorberde. Yan stak de roede onder zijn riem, strekte zijn rug, veegde het zweet van zijn voorhoofd en beloonde zichzelf met een slok water. Met een zucht begon hij terug te lopen richting de zwevende stad aan de horizon.

Levend of dood (ruwe versie)

Dit verhaal is geschreven voor de eindopdracht van de basisopleiding van de Schrijversacademie. Dit is een eerste ruwe versie van het verhaal welke ik deel omdat ik het hele schrijfproces wil delen. Er gaat nog veel veranderen aan deze tekst.


Levend of dood
Eddie A. van Dijk

‘Weet je de woorden?’ De doorleefde stem van de Rechter stond in schil contrast tot het jeugdige gezicht van het ivoren masker dat hij droeg. De woorden verdwenen in de ruimte die in de onderste punt van de stad uit het basalt was gehouwen. Aan weerszijde van hem stonden twee wachters in het gareel en voor hem, Yan, in zijn simpele burgerkleding. De vier figuren verdwenen in het niks in de ruimte die in de onderste punt van de stad uit het basalt was gehouwen, een ruimte waar duizenden in pasten. De pilaren rondom de ruimten wierpen lange schaduwen in het eerste ochtendlicht dat door de bogen naar binnen scheen. Een woestijnwind, warm en droog, deed het gewaad van de Rechter wapperen.

Yan knikte, ‘Ik weet de woorden.’ Zijn neus, beurs en opgezwollen, gaf zijn stem een nasale klank.

De Rechter trok een roede, een el lang en van het zelfde materiaal als zijn masker uit zijn gewaad en overhandigde die aan Yan. ‘De stad blijft hier voor drie dagen en drie nachten, ben je dan niet terug…’

‘Dan worden de kosten verhaald op mijn familie.’

‘De kosten van jou, de voortvluchtige en de roede.’

Yan slikte, draaide zich om en stapte de liftkooi binnen. Een van de Wachters sloot het hek.

‘Levend of dood,’ zei de Rechter plechtig.

‘Levend of dood,’ herhaalde Yan, met een hapering in zijn stem.

Met een schok en het ratelen van de kettingen kwam de kooi in beweging en begon de afdaling naar de woestijn.

Het vonnis van de Rechter galmde door Mikal’s hoofd. Het doodsvonnis uitgesproken door het onbeweeglijke ivoren gezicht. Het was niet eerlijk, onrechtvaardig. Het was zelfverdediging geweest. Maar de Rechter was doof geweest voor zijn smeekbedes. En nu werd hij begeleid naar de ruimte waar zijn leven zou eindigen. Met de handen geketend ging hij zijn dood tegemoet.

‘Doorlopen,’ de wachter gaf hem een duw in de rug. Een jonge kerel. Zou het een eer zijn om een terdoodveroordeelde te begeleiden of een taak die ze afschoven op de nieuweling?Mikal beet op zijn onderlip en balde zijn vuisten, en begon te jammeren, te blubberen. Hij zakte door zijn knieën.

‘Sta op,’ zei de Wachter geïrriteerd, ‘kom op.’

Mikal draaide zich om en greep de tuniek en greep de Tuniek van de tuniek met beide handen vast. Tranen en snot besmeurde zijn gezicht. ‘Alsjeblieft, dit kan je toch niet maken. Het was zelfverdediging, het was hij of ik. Geloof me alsjeblieft.’

‘De Rechter heeft geoordeeld, daar kan ik verder niks aan doen, dat weet je zelf net zo goed als ik.’

Mikal keek nog een keer op naar de Wachter. Met als zijn kracht trok hij de Wachter naar beneden terwijl hij zichzelf omhoog wierp. De neus van de wachter kraakte toen zijn voorhoofd contact maakte. De Wachter viel naar achter, met beide handen grijpend naar zijn neus. Mikal zette het op een lopen door de grauwe gangen van de stad.

De roede begon te zingen toen de ruïne in zicht kwam, een klaagzang waarvan de woorden net niet te ontwaren waren. Het was ooit een kleine hut geweest met muren van op elkaar gestapelde stenen. Het zand had het grotendeels opgeslokt. Er was nog een hoek over, een laatste herinnering van de tijd dat er mensen buiten de Eenzame Stad hadden kunnen leven. De zon zonk onder de horizon en kleurde het zand en de rotsen rood. Een betere plek om te overnachten zou Yan niet vinden en de klaagzang van de roede gaf hoop dat hij geen kou hoefde te leiden die nacht. Hij wierp zijn rugzak tegen de muur en plofte neer in het zand. De Eenzame Stad hing in de lucht, een omgekeerde berg van basalt dat als een donkere wolk boven de woestijn hing. Op de top van de stad waren de bossen, velden en landerijen. Een kroon van groen in een dode wereld. Vanaf deze afstand leek het of de onderste punt van de stad de woestijn aanraakte. Aan het begin van de dag, toen Yan daartussen hing in de liftkooi had het onmogelijk hoog geleken. Er waren maar weinigen die de stad ooit vanaf dit perspectief zagen. Het was een dubieuze eer.

Yan pakte de roede en onderbrak de klaagzang met een woord. Een vreemd woord, een klank die onnatuurlijk in zijn mond voelde. Hij gebood de roede om te zien. Purperen mist werd zichtbaar, die schenen met een licht dat alleen hij kon zien. Flarden van de Oude Wereld. De mist verzamelde zich in de afbrokkelende hoek, waar het de vorm van een mensje aannam, half verborgen onder het zand. Het was een kind, in elkaar gedoken, maar het was niet te zien of het een jongetje of een meisje was geweest. Het keek op, alsof reagerend op een geluid dat nooit meer gehoord zou worden, dook weer in elkaar, en keek weer op. Alleen het laatste angstige moment van het leven was over van het zieltje. Yan sprak nog een woord tegen de roede en het zieltje werd uiteen getrokken en opgeslokt door het ivoor. ‘Levend of dood,’ mompelde Yan. Hij stak de roede in het zand en deed het met een derde woord ontbranden. De roede werd omvat door vlammen zonder dat het schade leek te doen aan het artefact. Yan probeerde de slaap te vatten terwijl het zieltje langzaam opbrandde.

Mikal stond op een railing. Aan een kant was een looppad, het basalt glad gesleten door eeuwen gebruik, aan de andere kant was de woestijn, ver onder hem. De zand en de rotsen trokken voorbij. De wachter wiens neus hij gebroken had kwam aanrennen, schreeuwend en zwaaiend met zijn zwaard. Achter hem kwamen nog meer wetsdienaars aanzetten. Mikal keek van zijn achtervolgers naar de woestijn. Hij kon nergens naar toe. Zolang hij in de stad bleef zouden ze hem vinden. Hij slikte en nam een beslissing. ‘Als je me wilt, kromneus, kom me dan maar halen,’ schreeuwde hij en sprong.

Yan vond Mikals lichaam op de tweede dag terwijl de zon hoog in de lucht op hem neer hamerde, geleid door het klaaglied van de roede. Het lichaam was uitgesmeerd op de rotsen, een massa vlees, bot en opgedroogd bloed. Met een woord maakte Yan de ziel zichtbaar. De mist leek op te stijgen uit de lichaamsdelen en kwam samen tot een scherp gestoken gelijkenis van Malik. Malik’s ziel zat met de knieën opgetrokken en de armen losjes daarop rustend, met een zelfingenomen glimlach op zijn gezicht. Yan bukte en keek de ziel in de ogen. Malik bewoog zijn mond, maar geen geluid bereikte Yan’s oren.

‘Levend of dood,’ zei Yan tegen de dode, ‘zullen wij de Eenzame Stad dienen.’ Hij zuchtte en sprak een woord tegen de roede die daarop de mist opslokte. De roede voelde zwaar, zwaarder dan toen de roede het kinderzieltje had verorberd. Yan stak de roede in zijn riem, veegde het zweet van zijn voorhoofd en beloonde zichzelf met een slok water. Met een zucht begon hij terug te lopen richting de zwevende stad.

Bloem en saus

De volgende tekst is geschreven voor de vooropdracht van de module “Het Verhaal Vormgeven” van de schrijversopleiding van de schrijversacademie.

De opdracht was een spannend verhaal van 200 woorden te schrijven geïnspireerd door de eigen keuken. Het gaat erom om een scene te beschrijven met een detective in de hoofdrol. De docent (Peter van Beek) had als extra eis meegegeven dat er geen mes als moordwapen gebruikt mocht worden. Wat dus impliceert dat er een moord gepleegd moet zijn.


Bloem en saus
Eddie A. van Dijk

John had al vroeg in zijn carrière besloten dat een open deur een uitnodiging was. Je wist echter nooit wat je achter zo’n deur zou aantreffen. Regelmatig waren het bewoners die woorden als huisvredebreuk naar hem toeslingerden. In dit geval hoefde John zich daar niet druk over te maken. Aan de stapel borden en pannen in de gootsteen was duidelijk te zien dat het appartement maar één bewoner had en die zou voorlopig niks meer zeggen.

Op de keukenvloer was een cirkel van bloem uitgestrooid. Daaromheen waren met klodders saus symbolen geschilderd, complexe constellaties van ketchup en oestersaus. De bewoner van het appartement, een man van in de dertig, lag in de cirkel met een USB-kabel om zijn nek. Aan de sporen in de bloem was te zien dat het slachtoffer van achter was gewurgd. Al spartelend had de man een chaotisch patroon in de bloem geschopt. Nu staarde hij naar het plafond, het wit van zijn ogen bevlekt met bloed.

John besloot dat rituele moorden niet in zijn taakomschrijving stonden. Het was tijd om weg te wezen en anoniem de politie te bellen. Hij verstarde toen er op de deur geklopt werd, gevolgd door voetstappen op de trap.

De vierde paprika

De volgende tekst is geschreven voor de vooropdracht van de module “Het Verhaal Vormgeven” van de schrijversopleiding van de schrijversacademie.

De opdracht was een spannend verhaal van 200 woorden te schrijven geïnspireerd door de eigen keuken. Dit verhaal voldoet echter niet helemaal aan de opdracht. Maar ik ben best tevreden over de spanningsopbouw in het verhaal.


De vierde paprika
Eddie A. van Dijk

Ingrediënten, pannen, eetgerei, twee handen en tien vingers. Ed had alles wat hij nodig had om zijn favoriete recept klaar te maken. Hij legde de paprika’s naast elkaar op de snijplank. Groen, geel en rood. Eerst de groene. Het koksmes halveerde de paprika makkelijk. De kern en de pitjes gooide hij in de vuilnisbak. Hij sneed de rest in grove stukken en schoof deze opzij. Zijn werkmobiel ging over.

‘Met Ed. Wat is er aan de hand? Ja. Ja. Nee. Kan Brandon je niet helpen? Ok, veel succes.’

Ze moesten ook altijd op het slechtste moment bellen en dan hadden ze ook nog eens het lef om hem op zijn vrije dag lastig te vallen. Hij pakte de gele paprika, hakte die in stukken en schoof deze opzij. Weer klonk het deuntje van zijn werkmobiel.

‘Met Ed. Nee, ik kan nu echt niet naar het werk toe komen. Ik ben aan het koken. Laat Brandon eerst eens naar de load balancer kijken.’

Hij hing op en smeet de mobiel neer naast de snijplank. Binnensmonds vloekend kliefde hij de rode paprika door midden. De werkmobiel schreeuwde om aandacht.

‘Godverdomme!’ Hij bracht het mes met al zijn kracht neer op de snijplank.

Door mijn moeders ogen

De volgende tekst is geschreven voor opdracht B2 van de module “Ontwikkel je eigen stijl” van de basisopleiding van de Schrijversacademie.

Bij deze opdracht gaat het om het neerzetten van een onprettig familiebezoek in drie verschillende tonen. Je normale toon in eerste persoon, een zeer informele toon, en een afstandelijke toon in de derde persoon.


Door mijn moeders ogen
Eddie A. van Dijk

Mijn moeder zat in haar versleten fauteuil. Ik had ernaast op de bank plaatsgenomen, de plek waar mijn vader altijd zat.

‘Friemel niet zo aan je stropdas.’ Mijn moeder keek me aan met een blik die ik me goed kon herinneren van vroeger. Die doe-eens-normaal blik.

‘Sorry, moeder,’ antwoordde ik gedwee, een Pavlovreactie uit mijn jeugd.

‘Waar zijn Janet en de kinderen?’ Ik kon haar bezorgdheid aflezen aan de rimpels rond haar mond.

‘Dat is nou juist waarvoor ik langskom.’ Ik pakte haar hand vast. Ik kon de fragiele botjes door de dunne huid voelen. ‘Janet en ik, we gaan scheiden.’

Ze trok haar hand weg.

‘Wat heb je gedaan?’

‘Het was een gezamenlijk besluit,’ begon ik.

‘Onzin. Waarom is Janet bij je weggegaan?’

Ik probeerde haar blik tegemoet te komen maar mijn ogen gleden af naar het boek dat op het bijzettafeltje naast haar stoel lag. De Stam van de Holebeer stond in gouden letters op de kaft.

‘Je bent vreemdgegaan,’ concludeerde ze.

‘Moeder. Alstublieft.’ De woorden kwamen als een smeekbede mijn mond uit.

Ze schudde haar hoofd, legde haar hand op de mijne en kneep zachtjes.

‘Willem de Vries, je hebt er weer eens een zooitje van gemaakt.’


Informeel

Ma zat zoals altijd in haar armstoel. Een oud en versleten ding. Ik was op de bank ernaast neergeploft.

‘Friemel niet zo met je stropdas.’ Ze gaf me die blik waar ik in mijn jeugd altijd een hekel aan had.

‘Sorry, ma,’ zei ik, voordat ik mezelf kon tegenhouden.

‘Waar zijn Janet en de kinderen?’ Het ging altijd over Janet, nooit over mij.

‘Daarvoor kwam ik juist langs,’ ik pakte haar hand, ‘ik ben eindelijk weg bij die trut.’

Ze trok haar hand weg.

‘Wat heb je gedaan?’

‘Waarom moet ik nou weer wat gedaan hebben? Godver ma. Het was Janet,’ begon ik.

‘Onzin. Waarom is Janet bij je weggegaan?’

Ze staarde me aan met die ijzige blik van haar. Ik keek terug, recht in haar ogen, maar zwakkeling die ik ben kon ik het niet volhouden. Mijn blik viel op het boek dat ze aan het lezen was. De Stam van de Holebeer. Alweer. Las dat mens dan nooit iets anders?

‘Je bent vreemdgegaan.’

‘Jezus fucking Christus, ma!’

Ze schudde haar hoofd, legde haar hand op de mijne en kneep zachtjes.

‘Willem de Vries, je hebt er weer eens een zooitje van gemaakt.’


Afstandelijk

Een moeder en zoon zaten naast elkaar in de woonkamer. De moeder zat in een fauteuil en de zoon op de bank ernaast.

‘Friemel niet zo met je stropdas.’ commandeerde de moeder.

‘Sorry, moeder.’ De zoon streek de stropdas vlak en legde zijn handen op zijn bovenbenen.

‘Waar zijn Janet en de kinderen?’

‘Dat is nou juist waarvoor ik langskom.’ De zoon pakte de linkerhand van zijn moeder vast. ‘Janet en ik, we gaan scheiden.’

Ze trok haar hand terug.

‘Wat heb je gedaan?’

‘Het was een gezamenlijk besluit.’

‘Onzin. Waarom is Janet bij je weggegaan?’

De moeder keek haar zoon aan. Hij keek een moment recht in haar ogen maar wendde zijn blik al snel weer af richting het boek dat op het bijzettafeltje tussen hen in lag. De Stam van de Holebeer van Jean M. Auel.

‘Je bent vreemdgegaan,’ stelde de moeder vast.

‘Moeder. Alstublieft,’ antwoordde hij.

Ze schudde haar hoofd en legde haar hand op die van haar zoon.

‘Willem de Vries, je hebt er weer eens een zooitje van gemaakt.’

Lood op Mars

De volgende tekst is geschreven voor opdracht A2 van de module “Ontwikkel je eigen stijl” van de basisopleiding van de Schrijversacademie.

Bij deze opdracht ging het om het functioneel gebruiken van een “setting” (ruimte, omgeving).


Lood op Mars
Eddie A. van Dijk

Alexander controleerde voorzichtig of zijn pak goed luchtdicht verzegeld was. Hij werd enigszins afgeleid door de wetsdienaar die op de binnendeur van de luchtsluis bonkte. Eenmaal tevreden schoof Alexander de buitendeur open. Met een felle windstoot werd de luchtdruk gelijkgetrokken. Hij rende met grote passen de woestenij van bruin, grijs en dof oranje in. De woonstede die hij ontvluchtte lag op een zanderige heuvel die uitkeek op een ondiep dal. Een paar honderd meter verder lag de rotspartij waarachter Julia met haar wagen zou staan. Toen hij de rotsen bereikte was zij echter nergens te bekennen.

‘Julia! Waar ben je!?’ Over de radio klonk alleen ruis. De achterbakse teef had hem verlaten.

Hij wierp een blik terug naar de woonstede. Drie figuren, gewapend met revolvers, kwamen zijn kant op rennen. De keuze was zich overgeven, en hopen dat zijn achtervolgers vergevingsgezind waren, of vluchten. Hij koos voor vluchten en gleed zo snel als hij durfde de helling af het dal in. De te kleine zon hing hoog in de vaal gele lucht boven de rotsachtige heuvel aan de andere kant van het dal.

Een kogel sloeg vlak voor zijn voeten in op een rots. Instinctief dook hij opzij, verloor zijn evenwicht en duikelde de rest van de helling af. Een paar duizelingwekkende momenten later lag hij op zijn rug aan de voet van de heuvel. De tweede kogel raakte de grond vlak naast zijn hoofd. Opgevlogen zand kwam met zachte tikjes neer op zijn vizier. Alexander krabbelde op. De derde kogel ging door zijn linker bovenarm. De pijn duwde hem op zijn knieën. Die pijn verdween toen zijn arm gevoelloos werd. Een diepe kou kroop langs zijn schouder zijn lichaam binnen. Het laatste wat hij zag, voor hij bewusteloos naar voren viel, waren zijn bevroren bloedspetters op het oranje zand.


Research Notes

Voor deze opdracht heb ik redelijk wat onderzoek gedaan. Voor een tekst van 300 woorden is het best wel “hard SF”. Hieronder, mocht je interesse hebben, een overzicht van mijn bevindingen en beredeneringen voor mijn keuzes.

Read the rest of this entry

Honger

De volgende teksten zijn geschreven voor opdracht B1 van de module “Ontwikkel je eigen stijl” van de basisopleiding van de Schrijversacademie.

De opdracht was om een tekst te schrijven en daar drie variaties op te maken in verschillende stijlen. Drie van deze vier teksten moesten ingeleverd worden.


Honger – Origineel
Eddie A. van Dijk

Willem had die zonnige middag zowaar een tafeltje op de Kalisbrug kunnen bemachtigen. Hij was verdiept in een spannende detectiveroman toen een onbekende vrouw naast hem ging zitten. ‘Goed boek, hè?’ zei ze en begon daarmee een gesprek dat de rest van de middag duurde.

‘Ik begin honger te krijgen,’ zei ze toen het avond werd, ‘zullen we ergens wat gaan eten?’

Aangenaam verrast door deze uitnodiging volgde Willem haar richting de Twijnstraat. Ze baanden zich een weg door de mensenmassa op de Oude Gracht langs de winkels in de smalle grachtenpandjes en de overvolle terrasjes. Ze moesten regelmatig uitwijken voor fietsers die nerveus rinkelend langs wiebelden en automobilisten die per ongeluk in de binnenstad terechtgekomen waren.

‘Het is mijn favoriete restaurant,’ vertelde ze terwijl ze een trap afdaalden naar de werf, ‘ik denk dat je het fantastisch gaat vinden.’

Daar had ze volgens Willem bij voorbaat gelijk in.


Honger – Maximalistische variant

Willem wandelde met Sophia, de vrouw die hij die namiddag had leren kennen, over de Oude Gracht te Utrecht. Ze baanden zich een weg door de traag voortbewegende mensenmassa richting  de Twijnstraat aangezien Sophia had vermeld dat zij zeer te spreken was over een eetgelegenheid aldaar. Zodoende passeerden zij de kariatiden van de Winkel van Sinkel en het Neoklassieke gemeentehuis, waarna de statige herenhuizen plaats maakten voor grachtenpanden die een meer middeleeuws uiterlijk hadden. Ze kwamen langs de hoog-gotieke piek van de Domtoren wiens etherische bogen in scherp contrast stonden tot de amberkleurige luifel van een nabijgelegen cannabisetablissement. Eenmaal aangekomen aan het begin van de Twijnstraat daalden zij, onder leiding van Sophia, af naar de pittoreske werf, die, in tegenstelling tot het gangbare Utrechtse grachtenbeeld, niet gesierd werd door eeuwenoude bomen. Willem verheugde zich uitermate op wat er de rest van die avond in het verschiet zou liggen.


Honger – Horror variant

De vrouw met de felle amberkleurige ogen was die middag zomaar naast Willem op het terras gaan zitten. Ze raakten aan de praat. Of liever gezegd, hij praatte, zij luisterde, zelfs toen het grauwer en kouder werd. Uiteindelijk kapte ze hem bruusk af. ‘Kom,’ commandeerde ze, ‘ik heb honger.’

Ze leidde hem over de Oude Gracht richting de Twijnstraat toen het hard begon te regenen. Ze liet hem een trap af gaan naar de werf. Willem realiseerde zich te laat dat ze nu buiten het zicht waren van de paar overgebleven voorbijgangers. Ze greep hem bij zijn stropdas en duwde hem hard tegen de muur.

‘Dit wordt heerlijk.’ zei ze met een zelfingenomen glimlach. Ze opende haar mond onmogelijk wijd. De mondhoeken scheurde uit en haar muil ontvouwde zich als een bloem van bloed, speeksel en scherpe tanden. Willems kortstondige kreet eindigde toen ze zijn strot uit zijn keel rukte.


De volgende variant heb ik toegevoegd voor de compleetheid. Deze versie heeft niet mijn voorkeur.

Honger – Minimalistische variant

Willem had Sophia een paar uur geleden ontmoet. En nu waren ze onderweg naar haar favoriete restaurant. De dag liep totaal anders dan Willem zich had voorgesteld. Hij was benieuwd hoe deze zou eindigen.

12 doden, 47 gewonden

De tekst is geschreven voor opdracht A1 van de module “Ontwikkel je eigen stijl” van de basisopleiding van de Schrijversacademie.


12 doden, 47 gewonden
Eddie A. van Dijk

Tijdens het wachten probeerde Angela zoveel mogelijk de mensen om haar heen te negeren. Ze kon niet aan de met ruwe stedelijke beelden en kleuterkleuren beplakte inrichting ontkomen. Het ratelen en piepen van de keukenmachines en de luidruchtige gesprekken werden echter gedempt door Chopins tweede pianoconcert die uit haar koptelefoon vloeide. Rubinsteins forte aanslagen tijdens de crescendo’s waren bijna pijnlijk. Ze proefde nog steeds de zoete nasmaak van de hamburger die ze had genomen om geen argwaan te wekken. Zelfs de te zoute slierten gefrituurde aardappelpasta konden die smaak niet overstemmen.

Ze roerde met een koude friet in het bakje groengele saus toen haar manager binnen kwam lopen. Een duur pak met een scheve stropdas. Hij zette zijn aktetas onder de tafel en ging tegenover haar zitten.

‘Nirvana, echt?’ Ving ze op terwijl ze haar koptelefoon afzette. Hij wees naar haar T-shirt.

‘Kurt Cobain stierf in 1994.’

‘Wie?’

‘De zanger van Nirvana?’

‘Oh.’

‘Die muziek is nou niet bepaald relevant meer op dit moment.’

‘Ik zag het T-shirt in een winkel en vond het wel geinig.’

‘Het kan je geen ruft schelen, hè? Godver. En jij noemt jezelf een professional.’

‘Professioneel genoeg om mijn werk te doen.’

Hij opende zijn mond, maar Angela was hem voor.

‘Browsergeschiedenis, e-mail, social-media. Check, check en check. Kinderspel om te vervalsen.’

‘Dat is dan in ieder geval iets.’

Ze werd er misselijk van. Of was het de burger?

Ze knikte richting de ingang. ‘Volgens mij is daar onze gelukkige winnaar. Anwar Alaoui, 23 jaar, student wiskunde.’

Haar manager tapte met zijn wijsvinger tweemaal op zijn horloge. ‘En nog precies op tijd ook. Mooi, dan zijn we klaar hier.’ Hij stond op, probeerde tevergeefs zijn stropdas recht te trekken en gebaarde Angela hem te volgen. Ze liepen samen het restaurant uit. De aktetas bleef achter.

Triceratops

Deze tekst is geschreven voor de voor-opdracht van de module Ontwikkel Je Eigen Stijl van de schrijversopleiding van de Schrijversacademie.


Taalmoment: Triceratops
Eddie A. van Dijk

Mijn klasgenootje graaide enthousiast een groen stuk plastic uit de speelgoedbak.

‘Dat is een Triceratops’ informeerde ik hem, vol trots dat ik dat woord kende.

Hij keek me aan, zich afvragende waarom iemand dat ooit zou willen weten.

‘Het is een planteneter,’ ging ik verder ‘uit de krijttijd.’

Hij keek teleurgesteld naar het gehoornde beest in zijn handen. Na een korte pauze gooide hij het terug in de bak, pakte een willekeurig autootje en liep richting zijn vriendjes.